balans3

Passende participatie voor iedereen! Cliëntenorganisaties formuleren beleidskaders

Door Catrinus Egas

De kracht en kwaliteit van de samenleving worden bepaald door onderlinge betrokkenheid. Betrokkenheid begint met meedoen. In een betaalde baan, in het vrijwilligerswerk, in de zorg voor anderen. Sociaal is het niet aanvaardbaar dat mensen buiten de samenleving staan, economisch is het niet verantwoord. De bestuurlijke doelstellingen van de laatste jaren is om zo veel mogelijk mensen weer voluit mee te laten doen in de samenleving. Hierbij staat arbeidsparticipatie voorop, maar meedoen moet breder worden opgevat. Als regulier, betaald werk niet direct tot de mogelijkheden behoort, moeten mensen gestimuleerd worden maatschappelijk te participeren. Bijvoorbeeld via leerbanen of vrijwilligerswerk. De mate van dwang en repressie die daarbij eventueel wordt toegepast, laten we hier buiten beschouwing.

Cliëntenorganisaties zien positieve ontwikkeling

Deze brede benadering van participatie is positief opgepikt door cliëntenorganisaties. Het sluit immers aan bij de situatie waarin burgers verkeren. Zij hebben te maken met diverse beleidsterreinen, regelingen en uitvoeringsinstanties. Waar het beleid en de uitvoering zijn opgeknipt in diverse beleidsaspecten, komen ze op het niveau van de individuele burger bij elkaar. Effectief beleid op het gebied van participatie zal dus ook op een integrale wijze moeten aansluiten bij de situatie van de burger. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Overheden en uitvoerders zijn dat niet gewend. Bovendien is er in het bestaande beleid nauwelijks ruimte voor eigen ambities en wensen van burgers en cliënten. Zij krijgen over het algemeen voorgeschreven wat goed voor ze is. Wie niet werkt zal actief moeten worden in regulier betaald werk of desnoods een eigen bedrijf moeten starten. Wie aanspraak maakt op voorzieningen zal het moeten doen met het bestaande aanbod. Dat kan best anders. Dat moet anders, vinden de cliëntenorganisaties.

Verkokerd beleid leidt tot verkeerde keuzes en uitkomsten

Wie met een kritisch oog naar de bestaande praktijk kijkt ziet dat het verkokerde denken en het verkokerde beleid tot gevolg hebben dat er ineffectieve keuzes worden gemaakt. Om dat te illustreren kunnen we een voorbeeld aanhalen van toenmalig wethouder sociale zaken in Amsterdam, Aboutaleb. Hij werd toen geconfronteerd met een situatie van een alleenstaande bijstandsmoeder die vanuit de regelgeving van de WWB gedwongen werd om aan de slag te gaan in betaald werk. Zij had echter nauwelijks opleiding genoten en zou op zijn best in staat zijn het minimumloon te verdienen. Het geval wil echter dat zij thuis drie pleegkinderen verzorgde. Deze pleegkinderen zouden uit huis en in een instelling geplaatst moeten worden als zij fulltime zou gaan werken. Dat zou een rigide gevolg zijn van rigide denken vanuit bestaande beleidskaders. Vanuit een integrale benadering kan worden bedacht dat deze vrouw drie kindplaatsen, ofwel bijna een ton op jaarbasis verdient voor de samenleving. De besparing op haar bijstandsuitkering valt daarbij in het niet. En dan spreken we nog maar niet over het vernietigen van dit particulier initiatief en het afstraffen van haar sociale betrokkenheid. Als in deze situatie creatiever en op meer integrale wijze wordt nagedacht en gehandeld levert dat meer effectiviteit op voor de samenleving en wordt beter aangesloten bij de situatie van deze vrouw, haar getoonde verantwoordelijkheid en affiniteit. In bijzondere individuele gevallen zal een wethouder kunnen en willen ingrijpen. Maar er zal nog heel wat water door de Rijn stromen voordat we met elkaar zo verstandig zijn om dat tot praktijk te verheffen.

‘Passende participatie’

Veel landelijke en regionale cliëntenorganisaties hebben zich met de vakbeweging en maatschappelijke organisaties gebundeld in een samenwerkingsverband: de Sociale Alliantie. Op het brede terrein van de sociale zekerheid is op rijksniveau de cliëntenparticipatie ingericht met een Landelijke Cliëntenraad, waarin tal van cliëntenorganisaties en (lokale, regionale en landelijke) cliëntenraden zijn vertegenwoordigd.

De Sociale Alliantie en de Landelijke Cliëntenraad hebben de beleidsintentie van het kabinet voor een brede participatiebenadering enkele jaren geleden uitgewerkt in zes beleidskaders voor een lokaal beleid van passende participatie. Deze beleidskaders zijn geformuleerd vanuit het perspectief van de burger en de cliënt. Werken met deze beleidskaders versterkt de sociale samenhang, zorgt voor een maatschappelijke inbedding van de arbeid en garandeert met name mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een zinvolle bezigheid. Mens en maatschappij zijn erbij gebaat als iedereen meedoet in de samenleving. Naast de Wet werk en bijstand (WWB) biedt de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) kansen deze brede participatie van alle burgers te bevorderen.

Beleidskader 1:  De samenleving steunt op betaalde en onbetaalde arbeid

Betaalde arbeid is belangrijk. De creatieve inzet van bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en overheden biedt welvaart en een goede basis om banen tot stand te brengen en in stand te houden. Zo krijgen en houden mensen mogelijkheden zich te ontplooien, te voorzien in hun levensonderhoud en een bijdrage te leveren aan de samenleving. Onze samenleving steunt echter niet alleen op betaalde arbeid. Ook opvoeding, onbetaalde zorgarbeid en andere vormen van maatschappelijke inzet zijn onmisbaar voor het functioneren van de samenleving en haar burgers. Het is onterecht om vrijwilligerswerk en mantelzorg een lagere waardering toe te kennen omdat ze onbetaald worden verricht. Sommige mensen komen meer tot hun recht in de sector van de onbetaalde zorgeconomie. Deze brede visie op arbeid moet meegenomen worden in het sociale en economische beleid en in de afstemming tussen arbeidsmarktbeleid en reïntegratiebeleid.

Beleidskader 2: Werken moet lonen

Participatiebevordering moet ertoe leiden dat problemen waarmee mensen te maken hebben afnemen of worden opgelost. Dit houdt onder meer in dat participatie moet lonen, in financiële zin (meer inkomen en pensioenvoorziening), in sociale zin (meer sociale contacten), in geestelijke zin (meer zelfvertrouwen). Dat geldt niet alleen voor betaalde arbeid, maar ook voor andere vormen van arbeid, zoals opvoedwerk, vrijwilligerswerk en mantelzorg. Met het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties kunnen lokale overheden nieuwe vormen van werkgelegenheid ontwikkelen tegen een normaal arbeidscontract, waarbij tijdelijk of blijvend gebruik wordt gemaakt van gelden die anders voor uitkeringen moeten worden ingezet.

Beleidskader 3: Scholing en begeleiding zijn van belang voor alle vormen van arbeid

Een reïntegratieplan voorziet in goede scholing en adequate begeleiding. Bij een beleid van passende participatie horen praktijkgerichte leerwerkplekken en arbeidsnabije scholing. Daarnaast bieden overheden, bedrijfsleven en onderwijs mogelijkheden aan alle mensen, ook ouderen, om  levenslang en levenbreed te leren. Zo kunnen zij hun vaardigheden en competenties versterken en verbreden. Daarmee zijn ze beter in staat mee te (blijven) doen in de zich snel ontwikkelende kenniseconomie. Alle burgers, te beginnen bij de laaggeschoolden, krijgen daarvoor een toereikend budget en reële kansen. Scholing en begeleiding zijn ook mogelijk in het kader van vrijwilligerswerk en mantelzorg, omdat ook op deze terreinen van arbeid duurzame inzet van groot maatschappelijk en persoonlijk belang is.

Beleidskader 4: Onbetaalde arbeid heeft economische waarde

Onbetaalde arbeid, waaronder opvoedwerk, vrijwilligerswerk en mantelzorg, is werk dat op het eerste oog economisch niet rendeert en niet meetelt bij het vaststellen van welvaart. Om het belang van dit werk aan te geven wordt vaak uitsluitend gewezen op het sociaal rendement ervan voor de samenleving. Dat staat buiten kijf. Maar ook in economische zin kan onbetaalde arbeid de samenleving veel voordeel opleveren en hoge (zorg)kosten besparen. Bovendien kunnen mensen middels activiteiten in de sfeer van de civil society hun zelfvertrouwen hervinden en hun kwaliteiten uitbouwen. Dat kan een eventuele overstap naar de betaalde arbeid vergemakkelijken. Dit wil niet zeggen dat mensen verplicht moeten worden om vrijwilligerswerk te doen. Dat werkt niet. Mensen stimuleren, motiveren en faciliteren om vrijwilligerswerk te doen, werkt wel.

Beleidskader 5: Dat wat mensen kunnen en zijn is het vertrekpunt

Participatie, meedoen in de samenleving, wordt gedefinieerd vanuit de persoonlijke situatie en mogelijkheden van mensen. Vertrekpunt is wat mensen kunnen (eigen competenties) en voor henzelf als perspectief zien (houding). Onderlinge netwerken van ondersteuning die mensen zelf hebben opgebouwd zijn hierbij van belang. Ze maken deel uit van een samenleving waarin ruimte is voor diversiteit en erkenning van verschil, waar mensen anders mogen zijn en even goed mee kunnen doen, waar mensen hun eergevoel kunnen behouden of herwinnen. Daarnaast mag van mensen ook gevraagd worden kun kwaliteiten in te brengen en te ontwikkelen ten behoeve van het goede samenleven.

Beleidskader 6: Individuele arrangementen op basis van mix van regelingen

Er wordt niet gedacht en gehandeld vanuit standaardtrajecten. Er wordt gedacht en gehandeld vanuit individueel ingevulde arrangementen. Daarbij zijn combinaties mogelijk van betaald werk, zorgarbeid en vrijwilligerswerk. Daarbij zijn ook combinaties mogelijk van regelingen en geldstromen die in samenhang uitgevoerd moeten worden, zoals WWB, WSW, WIA, Participatiewet, WMO. Het toepassen van een individueel participatiebudget of een individueel trekkingsrecht op de W-gelden plaatst mensen zelf in de regierol en geeft ruimte aan hun eigen verantwoordelijkheid om reïntegratie- en participatiemiddelen naar eigen visie en eigen behoefte in te zetten. Zo wordt participatie niet langer van bovenaf gestuurd, maar krijgt inhoud en vorm van onderop. Onafhankelijke adviseurs kunnen mensen daarbij terzijde staan. Een ruim gefaciliteerde cliëntenparticipatie ondersteunt deze ontwikkeling naar sociaal bewuste individualiteit.