0345 531669 / 06 51967187|info@aanz.org

Bestuurlijke vernieuwing, een casus

//Bestuurlijke vernieuwing, een casus

 

Door Catrinus Egas, mei 2015

 

De gemeenteraad van gemeente X besloot op interactieve wijze met de lokale samenleving beleid te formuleren en – op het terrein van kunst en cultuur – de uitvoering daarvan uit handen te geven aan de lokale samenleving. Het proces en de consequenties daarvan voor de eigen positie en verantwoordelijkheid werden vooraf niet doordacht. Dit leidde tot handelingsverlegenheid, non-beleid en onbehoorlijk bestuur. Deze casus laat zien hoe een al te gemakkelijk en onzorgvuldig ingezet proces van bestuurlijke vernieuwing ontspoort. Een waarschuwing dus.

 

Op enig moment besloot de raad vorm te geven aan het nieuwe heersende paradigma ‘interactieve beleidsvorming’, ‘samenspraak met de stad’ of hoe het maar wordt betiteld. Er werd bedacht dat het nieuwe cultuurbeleid in samenspraak met de stad geformuleerd zou worden en dat de cultuursubsidie in beheer zou worden gegeven bij een onafhankelijk fonds en op die manier in de samenleving zou worden belegd. De raad besloot een stadsgesprek te organiseren en riep vrijwilligers op om daaraan organisatorisch vorm te geven.

Bij de eerste voorbereidende gesprekken bleken al meteen twee misverstanden te bestaan.

  1. De raad gaat in gesprek met ‘de stad’ maar raadsleden houden daarbij zelf hun mond.
  2. Het stadsgesprek gaat (alleen) over het op te richten cultuurfonds.

Die opvattingen zijn op zich procedureel al curieus – je gaat een gesprek aan maar houdt je mond – en reduceren cultuurbeleid tot het beoordelen en toekennen van subsidieverzoeken, maar op grond waarvan? Ook het beoordelen van subsidieverzoeken zal toch moeten gebeuren op basis van criteria die op hun beurt weer gestoeld zijn op gemeentelijk beleid.

 

Uiteindelijk werd dan ook geconcludeerd dat er een cultuurvisie moest worden geformuleerd in samenspraak met ‘de stad’. De procedurele gang van zaken heeft daarbij plaatsgevonden ‘naar bevind van zaken’. In essentie werden ideeën, wensen en meningen verzameld tijdens een grote bijeenkomst op het stadhuis, waarvoor in beginsel alle burgers langs diverse kanalen waren uitgenodigd. Zo’n bijeenkomst heeft uiteraard een hoog zelfselecterend karakter. Suggesties voor varianten met betrekking tot te onderscheiden doelgroepen werden om logistieke en financiële redenen niet gehonoreerd, met uitzondering van een bijeenkomst met leerlingen van een van de middelbare scholen. De opbrengst van deze inventarisatie werd daarna in enkele ronden door ‘experts’ uit de Culemborgse samenleving aangevuld en in samenhang gebracht in een visiedocument, compleet met een preambule. Dit document werd via de betrokken ambtenaar aangeleverd bij het college, dat het vervolgens als collegestuk inbracht bij de raad. Over het bestuurlijke proces was vooraf en ook tijdens de rit niet nagedacht met als gevolg dat de raad in complete verwarring raakte en handelingsverlegen werd. “We hebben de formulering van de cultuurvisie uit handen gegeven aan de stad; mogen wij daar nu iets van vinden of niet?”

Formeel was het document ingebracht als beleidsdocument van of ten minste namens het college. Daarmee was er dus formeel al alle aanleiding om het te behandelen en er iets van te vinden. “Maar dat zou betekenen dat de raad het als beleid gaat vaststellen! Kan dat alleen ongewijzigd? En als we daar wijzigingen in aanbrengen, hoe verhoudt zich dat dan tot het feit dat de raad het aan de samenleving heeft overgelaten om een visie te formuleren?”

Na een zeer verwarrend en moeizaam proces werd de visie als gemeentelijk beleid vastgesteld en de opdracht tot het (doen) oprichten van een cultuurfonds gegeven.

 

En daar ontstond het volgende probleem. De opdracht van de raad was gericht aan het college, maar het college had niet de opdracht om zelf een fonds op te richten. Hoe dat zou moeten en wie dat dan zou moeten doen was niet duidelijk en – dus – ook niet in de opdracht geformuleerd.

Opnieuw ontstond er handelingsverlegenheid, in dit geval vooral bij de betrokken wethouder. Besloten werd om een proces op gang te brengen om – via de gemeente – een oproep te doen voor bestuurs- en commissieleden van het beoogde fonds zodat deze, na selectie door de gemeente en vrijwillige (later betaalde) kwartiermakers, zelf een fonds zouden kunnen oprichten. De gemeente zou vervolgens een overeenkomst kunnen aangaan met dat fonds om het subsidiebeleid uit te voeren.

Die constructie houdt in dat het fondsbestuur de subsidiemiddelen beheert en toebedeelt op basis van criteria in lijn met het gemeentelijk cultuurbeleid en over de bestedingen achteraf verantwoording aflegt aan het college en de raad. De raad kan daar dan vervolgens een oordeel over vellen en besluiten om de overeenkomst te continueren of niet. Tot zover is die constructie niet zo ingewikkeld.

Het beeld bestaat echter dat de gemeente c.q. de raad het cultuurbeleid in de vorm van een cultuursubsidie uit handen heeft gegeven aan de samenleving.

En vervolgens handelt ook de wethouder in die geest. Deze verwarring brengt bovendien met zich mee dat iedereen zich indekt en bijgevolg non-beleid voert in plaats van het voortouw te nemen in een nieuwe – bestuurlijke – ontwikkeling.

 

Verwarring is tot daar aan toe – ook al was het in de gegeven situatie grotendeels onnodig – maar op grond daarvan geen kaderstellende en toetsende houding aannemen als raad of – in het geval van het college – niet sturend op te treden, is bestuurlijk bijzonder verwijtbaar en contraproductief!

 

Met betrekking tot het stadsgesprek over cultuur werd terecht geconcludeerd dat dit cyclisch zou moeten plaatsvinden (met inbegrip van uitvoeringsvarianten) om praktijk- en beleidsontwikkelingen te evalueren en – waar nodig – de beleidsvisie bij te stellen en/of verder te ontwikkelen. Dat betekent dat met een zekere frequentie evaluaties en interacties plaatsvinden tussen de betrokken partijen. In die lijn zou het voor de hand liggen dat het college i.c. de wethouder van cultuur zich met een zekere frequentie verstaat met partijen in de samenleving die zich bezighouden met cultuur(ontwikkeling), daarbij zo nodig gemeentelijke ondersteuning aanbiedt, en daarover – na toetsing aan de vigerende beleidsdoelstellingen – verslag doet en/of verantwoording aflegt aan de raad. Waar nodig kan dat leiden tot nieuw beleid.

 

Zeggenschap subsidiemiddelen

De raad had besloten om de beschikbare gemeentelijke subsidiemiddelen voor kunst en cultuur per 1 januari of zo spoedig mogelijk daarna beschikbaar te stellen via het op te richten cultuurfonds. Gelet op de korte voorbereidingstijd werd verwacht dat dit per 1 maart en eventueel pas per 1 april geëffectueerd zou kunnen zijn. Omdat niets werd geregeld voor het eerste kwartaal zou dit betekenen dat tot die datum geen aanvragen voor een bijdrage uit die subsidie zouden kunnen worden gehonoreerd. Een omissie waar wellicht nog mee te leven viel omdat ook eventuele belanghebbenden wellicht niet zo snel met subsidieverzoeken zouden komen.

 

Behalve dat dit een openbaar besluit betrof werd deze informatie ook op ruime schaal verspreid binnen de kunst- en cultuursector en het onderwijs in de stad.

 

Al snel werd duidelijk dat 1 maart en ook 1 april niet zou worden gehaald. Op zijn vroegst zou het cultuurfonds tegen de zomer operationeel kunnen zijn, maar als snel werd ook die planning omgezet naar september of later.

 

De wethouder heeft voor de tussenliggende periode echter geen gebruik willen maken van de beschikbare subsidiemiddelen. Hij voerde daarmee de facto een non-beleid. Zijn stelling dat de gemeente het cultuurbeleid met de beoogde cultuursubsidie uit handen heeft gegeven en in de samenleving heeft belegd c.q. gaat beleggen, en dat hij c.q. de gemeente daar niets over te zeggen heeft, berust niet alleen op een misverstand maar is tevens in strijd met behoorlijk bestuur.

Het misverstand bestaat hierin dat er momenteel geen sprake van is dat het cultuursubsidiebeleid in de samenleving is belegd. Dat is weliswaar het oogmerk, maar nog niet gerealiseerd. Zolang er nog geen cultuurfonds bestaat waarmee een dergelijke overeenkomst is afgesloten blijft de gemeente verantwoordelijk voor de uitvoering van het subsidiebeleid. Nu dit niet gebeurt ontberen cultuurdragers en andere initiatiefnemers de mogelijkheid om een beroep te doen op gemeentelijke cultuurmiddelen, althans de bedoelde middelen van het cultuurfonds. Dit kan worden gekenschetst als onbehoorlijk bestuur omdat er immers verwachtingen zijn gewekt dat een beroep op de subsidiemiddelen zou kunnen worden gedaan. Diverse partijen in de stad hebben daar dan ook op geanticipeerd en zijn plannen gaan ontwikkelen en afspraken gaan maken.

 

Op het moment dat de streefdatum – bij lange na – niet gehaald zou kunnen worden, had de wethouder maatregelen moeten treffen en – in samenspraak met de raad – mogelijkheden moeten creëren om subsidieverzoeken in de geest van het beoogde cultuurbeleid te beoordelen en toe te kennen.

Zulks wordt zelfs expliciet verwoord in de Cultuurvisie: “pas wanneer de maatschappelijke verantwoordelijkheid voor kunst en cultuur is belegd, kan de gemeente* een andere rol vervullen en steunen op een gedeeld eigenaarschap en verantwoordelijkheid van alle stakeholders

 

En zelfs nadat de subsidiemiddelen in beheer zullen zijn gegeven aan een zelfstandig fonds blijft een bestuurlijke verantwoordelijkheid bestaan met betrekking tot de besteding van de publieke middelen.

 

Voor zover de wethouder al beleidsoverwegingen heeft, lijken deze zich uitsluitend te concentreren op subsidiebeleid, in casu het tot stand helpen brengen van een zelfstandig cultuurfonds waar te zijner tijd de subsidiegelden kunnen worden gestald en waaraan de eigen verantwoordelijkheid uit handen kan worden gegeven. Er lijkt geen besef te bestaan van het feit dat de raad op aanreiken van het college een cultuurvisie heeft vastgesteld en de wethouder de opdracht heeft gegeven daarnaar te handelen en dus beleid te voeren. Beleid voeren is uiteraard meer dan subsidie verstrekken. De cultuurvisie formuleert een aantal uitgangspunten en beleidsdoelen en ook zonder een euro subsidie te verstrekken kan een wethouder, samen met zijn ambtenaren, heel goed een bijdrage leveren aan en sturen op het realiseren van die doelen.

 

Op deze onderwerpen zijn diverse burgers als trekkers actief en dragen zij in hoge mate bij aan het realiseren van gemeentelijke beleidsdoelen. Ook hier schijnt de wethouder het uitgangspunt te hanteren dat burgers het maar moeten opknappen en de gemeente op zijn handen moet zitten. Non-beleid dus eigenlijk. En ook hier lijkt elke visie op modern bestuur te ontbreken.

 

Non-beleid is in dit geval niet alleen het miskennen van de eigen rol en verantwoordelijkheid, het is tevens het miskennen van de inzet en betrokkenheid van burgers bij het realiseren van maatschappelijke doelen. Dat is uiterst frustrerend voor de betrokken burgers. Je brandt ze af en dat is contraproductief. Dat is al erg genoeg, maar zo’n houding frustreert bovendien de ontwikkeling van modern bestuur dat in co-creatie met burgers de samenleving vorm geeft.

 

 

By | 2015-05-11T14:00:58+00:00 mei 11th, 2015|Geen categorie|0 Comments

About the Author: